2013 - verhalenwedstijd Cultureel Festival Baarn, 3de plek

De hemelvaart van de straatventer

 

De akkers van de boerderijen in Schaldia waren gevuld met goudgeel graan en de boomgaarden met appels en peren waren rijk beladen. Arnulf herkende kwaliteit wanneer hij het zag. Hij was vele jaren rondtrekkend handelaar en straatventer in allerhande groenten, fruit en snuisterijen geweest. Op zijn reizen was hij door de meeste gebieden van de lage landen getrokken, van rijke vissersdorpen langs de zeekust van Vlaenderen tot armoedige hutjes aan de rand van de veenmoerassen in Brabant.

Hij schudde mistroostig zijn grijze hoofd. Zijn haar was lang geworden in twee jaar tijd, sinds hij gestopt was met afsnijden. Enerzijds zag hij het nut niet meer, anderzijds kon het geen kwaad een aantal van de tradities van zijn Noordse voorouders in ere te houden, zoals het laten groeien van haar en baard. Hij had een respectabele leeftijd bereikt, maar de laatste maanden waren steeds moeizamer geworden en hij verwachtte niet nog een winter te zullen overleven.

Hij voelde even aan het houten kruis dat aan een kralenketting om zijn nek hing. Hij had maar weinig schuldgevoel over de runensteen van Freyr in zijn zak. Drie jaar geleden was het al toen Arnulf met de rondreizende priester sprak, maar hij herinnerde zich zijn woorden nog alsof het gisteren was.

Ze troffen elkaar op de weg vanuit Strijen in de richting van Voren en besloten een stuk gezamenlijk op te lopen. Tijdens een kampvuur en een karig avondmaal vertelde de priester, Roderik van Utrecht genaamd, over zijn pogingen het woord Gods te verspreiden onder de heidenen in de Friese gebieden, voor het te laat was. Hij bleek een devoot volger van voormalig aartsbisschop Balderik.

‘Het millennium nadert, vriend,’ sprak Roderik. ‘Mijn bronnen vertellen dat het in de oogstmaand zal plaatsvinden, bij volle maan. Ireneus heeft vastgesteld dat er een grote hemelvaart van Zijn echte volgelingen zal zijn, gevolgd door een fimbulwinter van wel duizend jaar die zijn gelijke niet kent. Wie daarna nog over is, zal het laatste Oordeel wachten.’

Arnulf sloeg zijn woorden zorgvuldig op in zijn hoofd. In de jaren die volgden verkocht hij zijn handel aan een opvolger en leefde hij van zijn spaargeld. Hij trok door het land om nog zoveel mogelijk te zien, voor het einde.

In het avondlicht rees de volle maan, helderder dan hij ooit gezien had. Hij sloeg een kruis terwijl hij tegelijk de zegeningen van Máni, de maangodin prevelde.

De akkers werden dagelijks bewerkt en op de grens van het niet geoogste graan waren grote schoven samengebonden. Arnulf had een rieten mandje bij zich met daarin zacht witbrood, jonge geitenkaas, zoete, zachte appeltjes en een kruikje brandewijn. Alles leek samen te komen, vanavond moest het gebeuren, dit moest waarlijk zijn laatste keer op Aarde zijn.

De lucht was aangenaam warm en hij ging met zijn rug tegen een schoof zitten. Bij het maanlicht was geen kaars nodig en hij had een mooi uitzicht over de velden en landerijen en de zilverige bladeren van de bomen die zacht heen en weer wiegden in het milde briesje.

Hij ontspande zijn stramme spieren en voelde zijn pijnlijke gewrichten die kraakten. Uit zijn mandje nam hij af en toe een stukje brood en belegde dat met de kaas en spoelde de hap weg met een slok brandewijn die zowel zijn gewrichten als zijn pijnlijke gebit verdoofde. Sterren fonkelden in de heldere avondlucht en rond middernacht zag hij enkele vurig strepen door de nacht schieten. Arnulf dronk gestaag door en viel uiteindelijk in slaap.

De boeren die hem de volgende ochtend bij zonsopgang vonden en merkten dat hij gestorven was, sloegen een kruis en verwonderden zich over de vredige glimlach op zijn gezicht.

 

2012 - verhalenwedstijd Cultureel Festival Baarn,

1ste plek en winnaar publieksprijs Baarnsche Courant

Conjunctieve Eenheid

 

 

De zonnen van Tertia Trega stonden altijd laag. Het maakte de dag op de planeet een ervaring in extremen. Van de koelte van de rode zon, tot het warme licht van de gele zon en de intense ultraviolette hagel van de grote, blauwe ster.

De eerste expeditie van de mensheid die op de planeet landde, legde contact met de inheemse bevolking, humanoïden half zo groot als de gemiddelde mens van dat moment en gebouwd voor een leven in woestijnachtige omgevingen. Tertia Trega had er daar voldoende van. Het vinden van een planeet met – intelligent - leven was zoiets als het vinden van een enkele diamant in een hele grote kolenmijn. Bijna onmogelijk. En daardoor des te interessanter.

Na dat eerste contact volgde al snel een nederzetting waar wetenschappers de levens van de Treganen bestudeerden. Langzaam leerden ze de taal en begon een moeizaam proces van communicatie tussen de mensen van Oude Aarde en de Treganen.

Arnd Nedrus bestudeerde de inheemse geschiedenis. Hij was bevriend geraakt met Nottatalatana, één van de leiders van Het Kleine Volk, zoals de Treganen zichzelf noemden. De twee praatten regelmatig over de rijke tradities en de vele verhalen die de leden van Nottatalatana’s stam elkaar vertelden. Licht terughoudend vertelde Arnd sprookjes van Oude Aarde.

Op een warme dag in het hete seizoen, in het derde jaar van de expeditie, kwam Nottatalatana op zijn rijdier, een soort bovenmaatse huiskat met een dunne paarse-blauwe vacht, de nederzetting binnengestormd. Hij bond het uitgeputte dier aan een zendmast en klauterde de treden van het onderzoeksstation op.

‘Arnd, shsra!’ Nottatalatana gebruikte de formele aanspreekvorm van zijn volk die inhield dat  hij belangwekkend nieuws had.

Arnd keek op van zijn scherm waarop hij net aantekeningen maakte over verschillende oude nederzettingen die de satelliet onder woestijnzand had aangetroffen.

‘Nottatalatana, ik ben vereerd door je bezoek,’ zei Arnd. ‘Ik dacht dat Het Kleine Volk ons pas volgende cyclus weer zou bezoeken?’ Arnd refereerde aan de zonneweken die Het Kleine Volk hanteerde.

‘Dat is correct, Arnd,’ sprak zijn bezoeker. ‘Maar ik kwam om jullie te waarschuwen.’

Arnd ging overeind zitten. ‘Mag ik vragen wat ons bedreigt?’

‘De Dag van de Lange Schaduwen,’ zei Nottatalatana. ‘Tstjkt!’ Het laatste was een expletief om een vreemd soort ontzag te duiden.

‘Vergeef mijn onwetendheid, Nottatalatana,’ zei Arnd, ‘maar je hebt hier nooit eerder iets over verteld.’

‘Het Volk wordt niet graag herinnerd aan misstappen,’ zei Nottatalatana. ‘Als de zonnen hoog staan, komt het slechte en verenigt zich.’ De kleine man klapte zijn bovenste handen samen. ‘En dat vertrapt en vernielt en doodt alles dat het tegenkomt. Tstjkt!’

Arnd dacht na. ‘Ik snap het nog niet, maar ik waardeer je waarschuwing, Nottatalatana. Hoe kunnen we ons hiertegen beschermen?’

‘Kom mee ondergronds,’ sprak Nottatalatana. ‘Grotten in jullie maat hebben we ook. Weg van de zonnen.’

‘We kunnen niet zomaar alles neerleggen en met jullie meegaan,’ zei Arnd.

Nottatalatana maakte een gebaar dat Arnd herkende als het is wat het is. ‘Op deze dag, Arnd. Als het gebeurt, je weet de grotten te vinden.’ Nottatalatana nam afscheid en vertrok weer op zijn rijdier.

Arnd ging verder met zijn werk, maar de woorden van Nottatalatana bleven door zijn hoofd spoken tot zijn collega Mase Aldersson hem riep. ‘Arnd, kom je naar de conjunctie kijken? Indrukwekkend schouwspel.’

Arnd kwam buiten naast hem staan en zag eerst de rode zon voor de gele schuiven en overstraald worden, vervolgens schoof de gele zon voor de blauwe. De samensmelting van kleuren was vreemd, onaards en gaf Arnd een ziek gevoel in zijn maag.

Achter zich hoorde hij geschuifel en hij draaide zich net op tijd om zijn lange schaduwen te zien samenglijden tot een inktzwarte figuur die langzaam overeind begon te komen. De figuur torende tientallen meters boven hem uit, net als de schaduw van Mase en vol ongeloof zag hij hoe zijn samengevoegde schaduwen een stap namen die zijn huisje vernietigde.

Mase stond met open mond te kijken tot zijn eigen schaduw hem vertrapte.

Arnd besefte nu wat Nottatalatana bedoelde met zijn Dag van de Lange Schaduwen. Zo snel als hij kon rende hij in de richting van de grotten van Het Kleine Volk. Hij zag dat zijn schaduw verdwenen was en hij voelde zich moe, leeg, zielloos.

Nottatalatana verwelkomde hem als een lang verloren vriend.

‘Hoe lang zal dit duren?’ vroeg Arnd.

‘Zoals altijd,’ zei Nottatalatana. ‘Tot de zonnen loslaten en je schaduwen terugkeren.’

Het duurde uiteindelijk drie dagen.

Joomla templates by a4joomla